Sla over naar de inhoud

Preek Lukas 24:28-35

De opgestane Heere Jezus Christus ontfermt Zich over twee weggelopen discipelen. Hij opent hun ogen voor de Schrift en de vervulling van de Schrift: Jezus Christus.

Liturgie
Gezang 22:1,7
Psalm 118:10 (na wet)
Psalm 145:3, 4 (na Schriftlezing)
Psalm 66: 3,7 (na preek)
Psalm 149:2 (na geloofsbelijdenis)
Psalm 16:3,5

Schriftlezing Luk. 24:13-27
Tekst Luk. 24:28-35

Preek Luk. 24:28-35
Door ds. C. Koster

De opgestane Heere Jezus ontfermt Zich over twee weggelopen discipelen
1. Hij onderwijst hen onderweg
2. Hij openbaart zich bij de maaltijd

Geliefde gemeente van onze Heere Jezus Christus, Het is Pasen geweest. Vanaf die allereerste paasdag is Jezus Christus veertig dagen lang aan zijn discipelen verschenen en heeft Hij hen onderwezen, tot aan zijn hemelvaart. Maar al op die eerste Paasdag is er van alles gebeurd.

Verschillende vrouwen vinden een open graf, met een weg gewentelde steen. Ze ontmoeten twee engelen, die zeggen dat Jezus Christus is opgestaan. Ook Petrus en Johannes vinden een leeg graf. En dan mag Maria Magdalena als eerste de Heere Jezus ontmoeten, Hij openbaart Zich aan haar. En Maria vertelt alles aan de discipelen.

Dit moet het moment geweest zijn, waarop Kleopas en zijn medereiziger vertrekken uit Jeruzalem en richting Emmaüs gaan. Dat zijn deze twee mannen, waarover onze tekst spreekt. Deze Emmaüsgangers waren discipelen uit de grotere kring om de Heere Jezus heen. Ze hadden de moed verloren, hun Heere Jezus was gestorven.

De bijzondere verhalen, die ze hebben gehoord van de vrouwen en van Petrus en Johannes, weerhouden hen er niet van om toch de stad te verlaten. Ze geloven niet in de opstanding van Jezus Christus, en ze trekken daar hun conclusies uit. Ze moeten weer terug naar de plek waar ze verwacht worden. Zo gaan ze weg uit Jeruzalem, op pad naar het plaatsje Emmaüs.

In vers 13 staat dat Emmaüs zo’n zestig stadiën ver was. Waar het plaatsje Emmaüs heeft gelegen, weten we niet precies. Maar het is ongeveer zo’n 11,5 km van Jeruzalem verwijderd. Zeg zo’n 2 a 3 uur lopen.

Ze hadden geen hoop of geloof dat Jezus Christus nog zou opstaan. En ze zagen blijkbaar de zin er niet meer van in om in Jeruzalem te blijven. Ze vertrekken, al zijn ze in hun hart nog wel vol van de gebeurtenissen in Jeruzalem. Daar zijn ze ook samen druk over in gesprek.

Maar dan voegt zich opeens een Man bij hen, die hen vraagt waarover ze spreken. Het is de Heere Jezus zelf, die Zich bij hen voegt. En Hij opent voor hen de Schriften. De Heere Jezus neemt voor hen de tijd, heel die wandeling, om met hen de Schriften door te nemen. In de Bijbelboeken van Mozes en de profeten laat Hij zien dat nu vervuld is, wat in de Schriften al stond geschreven.

In vers 32 spreken Kleopas en zijn vriend hier met elkaar over. Ze zeggen het dan heel mooi. Namelijk dat Jezus Christus voor hen de Schriften had geópend. Deze mannen kenden de Schriften natuurlijk. Maar de Heere Jezus ópende de Schriften ook echt voor hen, zodat de betekenis ervan hen duidelijk werd. En de Heere Jezus opende de Schriften voor hén, precies zoals deze mannen dat nodig hadden om onderwezen te worden. Heel persoonlijk neemt de Heere Jezus de tijd voor hen, om hen te leiden tot ware Schriftkennis. Ja, tot de kennis en belijdenis van het werk van Jezus Christus.

Het bijzondere van deze wandeling is, dat de Emmaüsgangers de Heere Jezus niet herkennen. De Heere Jezus verscheen aan hen, zoals Hij was. Hij verscheen niet in een andere, onbekende gedaante. Maar toch herkenden ze Hem niet. Dat is heel merkwaardig, want deze Emmaüsgangers waren vertrouwt met de Heere Jezus. Dit waren mannen uit de bredere kring van de discipelen. Dat ze de Heere Jezus niet herkennen, komt doordat de Heere de ogen van de mannen hiervoor gesloten had, staat er.

Waarom had de Heere dat gedaan? Nu, blijkbaar moesten deze mannen veel leren. Als ze de Schriften niet wilden geloven, als ze nog niet konden geloven dat Jezus Christus is opgestaan. Dan kunnen ze de Opgestane Heere ook nog niet zien. Eerst moet hun ongeloof richting de Schrift weggenomen worden, pas dan mogen ze Hem zien. Door hun ongeloof blijft de werkelijkheid voor hen verborgen, op dit moment. Ze moeten door een geopende Bijbel eerst scherper en beter leren zien wie hun Heiland Jezus Christus écht is.

En terwijl de Heere Jezus zoveel mijlen met deze mannen meeloopt, naderen de Emmaüsgangers het doel van hun reis. En het raakt al tegen de avond van de dag.

De Heere Jezus doet dan alsof Hij verder wil gaan. Blijkbaar wil de Heere Jezus een reactie bij deze mannen oproepen. Hij wil zien, of ze geraakt zijn door het Woord van God. Hij wil tot uiting laten komen, wat er in hun hart leeft. Hij wil zien, of er al vruchten zijn van geloof.

Als de Emmaüsgangers merken dat deze voor hen onbekende Man verder wil lopen, dan dringen ze sterk aan dat Hij moet blijven bij hen. Ze dwingen Hem feitelijk, U moet niet verder reizen, kom met ons mee. Het Woord had zoveel in hen losgemaakt, deze Man had zoveel liefde bij deze Emmaüsgangers opgeroepen. Ze willen Hem er daarom graag bijhouden. Ze dwingen de Heere Jezus, ga niet verder, maar kom met ons mee.

Wat doet de Heere Jezus dan? Dat is bijzonder, gemeente. Hij laat zich dwingen, Hij gaat met hen mee. De Heere Jezus laat Zich graag dwingen door deze twee mannen. Waarom? Nou, omdat de Heere Jezus deze mannen eerst al heeft gedwongen. Door zijn Woord, heeft Hij hen gedwongen de Schriften te openen. En met zijn roepstem dwingt Hij hen, om te geloven. En nu er beginnend geloof is bij deze mannen, nu ze een appel doen op de Heere Jezus: blijf bij ons. Dan wil de Heere Jezus daar graag naar luisteren.

Als de Heere Jezus door Kleopas en zijn vriend genodigd wordt, om het Woord te brengen en aanwezig te zijn, dan komt Hij. Hij loopt zelfs kilometers mee, en gaat ook in Emmaüs naar binnen. Jezus Christus toont, dat Hij opgestaan is, om ook bij deze Emmaüsgangers te zijn. Geen huis is voor Hem te ver, geen weg is voor Hem te lang. Als Hij genodigd wordt, dan gaat Hij naar binnen.

Ziet u hier het grote geduld en de grote liefde van Jezus Christus voor zijn discipelen? Hij leidt hen door zijn Geest in de waarheid. Ongeloof en teleurstelling hebben niet het laatste woord, in zijn discipelenkring. Nee, Jezus Christus heeft de dood overwonnen. Hij is opgestaan. En ook harde harten breekt Hij open, om zijn Woord ingang te doen vinden. Zodat zij het Paasevangelie begrijpen. Zodat ze niet langer in het onzekere zijn en in hun ongeloof blijven hangen. Maar zodat hun harten gaan branden voor het evangelie van Jezus Christus, de opgestane Heere.

Nu, broeders en zusters, deze mannen herkenden de Heere Jezus niet. Zij hadden nog weinig besef van Pasen, de opstanding van Jezus Christus. Wij echter kennen de Heere Jezus, wij weten van zijn Woord en zijn werk. Wij mogen leven met een geopende Bijbel, waarin we Jezus Christus kunnen leren kennen.

En daarom stelt deze tekst aan ons de vraag: Zijn ook onze harten brandende voor onze Heere Jezus Christus? Willen wij Jezus Christus leren kennen, wie Hij is voor ons, voor u, voor jou, voor mij? En als we dat nu eens concreet maken. Het is Pasen geweest. En in deze weken mogen we het Paasevangelie horen. Hoe sluit u dan straks deze eredienst dan weer af? Laat u het Paasevangelie dan weer voor wat het is? Omdat u het misschien toch al zo vaak hebt gehoord? Of omdat u of jij het misschien wel een mooi verhaal vindt, maar toch weinig geloofwaardig?

Of is dit evangelie van onze opgestane Heere nu écht iets, dat uw leven bepaalt en beheerst? Zodat het evangelie weerklank vindt in uw harten, en uw liefde des temeer uitgaat naar uw God en Vader in de hemel?

Want als dat niet zo is. Als u het evangelie hoort en leest, maar het eigenlijk weinig voor u of jou betekent. Dan bent u nog onverstandiger en trager van hart, als deze Emmaüsgangers. Want zij hadden nog maar amper het grote nieuws gehoord, van de opstanding. Maar u weet het, u kent het evangelie, het wordt u nu verkondigd.

En als u of jij merkt, dat het geloof versloft, en het evangelie je soms weinig zegt. Weet dan, dat de Heere zich graag laat dwingen, net als bij de Emmaüsgangers. U mag Hem vragen: Heere, woon en werk ook in mijn hart. Maak mijn koude hart weer brandend voor U, door uw Geest en Woord. Laat mijn leven een lofzang zijn op uw grote Naam. Zet mij in vuur en vlam, zodat ik gehoorzaam en trouw alles van U verwacht en doe wat U van mij vraagt.

Dan mag u denken aan de Emmaüsgangers. Ze wisten niet dat dit de Heere Jezus was. Maar ze waren zo geraakt door het Woord van God, dat ze Hem uitnodigen. Ze wilden Hem niet loslaten, iemand door wie ze zo het Woord gingen verstaan. Ja, ze drongen er sterk bij de Heere Jezus op aan. En de Heere Jezus gaf gehoor aan hun vraag, Hij ging bij hen naar binnen. En daar, in dat huis, maakte Hij zich aan hen bekend, als hun Heiland, die opgestaan is. Daarover in de tweede gedeelte van de preek.

Kleopas en zijn reisgenoot, de twee Emmaüsgangers, waren vol bewondering voor deze Man, die hen tegenkwam op de weg. Dat zien we in het feit, dat ze sterk bij Hem er op aandrongen, om niet verder te reizen, maar bij hen naar binnen te komen. Dat zien we ook in het feit, dat de Heere Jezus als Gast de rol van Gastheer mag innemen.

Want als ze aan tafel aanliggen, dan gaat de Heere Jezus doen, wat normaal de Gastheer doet. De Heere Jezus nam het brood, Hij sprak dankzegging en zegen uit, Hij brak het en deelde het uit aan hen die aanlagen. En juist dat is het moment, waarop de Heere Jezus Zichzelf aan hen openbaart.

Nu zult u zich misschien afvragen, welke betekenis dat heeft. Waarom kiest de Heere Jezus dat moment uit, om zichzelf aan hen bekend te maken?

Er zijn verschillende redenen bedacht. Zo is wel gezegd, dat Kleopas en zijn vriend de Heere Jezus hebben herkent, omdat ze de wonden in zijn handen zagen. Tijdens het breken van het brood, zagen ze die wonden opeens, en toen zouden ze Hem herkend hebben. Nu is dat opzich een mooie gedachte, maar als we eerlijk naar onze tekstverzen kijken, is dat toch niet voor de hand liggend.

Het is duidelijk, dat de Heere Jezus niet in een andere gedaante verscheen aan hen, tijdens de wandeling. Omdat de Heere Jezus voor hen vertrouwd was, ze waren immers discipelen van Hem, is het niet logisch om te denken dat ze Hem dan wel via zijn wonden opeens hebben herkent. Dan hadden ze Hem al veel eerder moeten herkennen. Nee, de Heere had eerst hun ogen gesloten gehouden voor wie deze Man echt was. En nu, tijdens het eten nam de Heere hen die blinddoeken af, en zagen ze, wie daar bij hen aan tafel zat.

In vers 30, 31 of vers 35 staat ook niet dat ze Hem herkenden dóór het breken van het brood. Nee, ze herkenden Hem tíjdens het breken van het brood.

Maar dan blijft de vraag staan, waarom koos de Heere dan dat moment uit, om Zichzelf aan hen kenbaar te maken. Waarom niet tijdens de wandeling, waarom niet toen de Heere Jezus deed alsof Hij verder wilde lopen. Waarom nu precies, bij het breken van het brood?

Nu, blijkbaar wil de Heere Jezus Zich op deze manier aan hen openbaren. Hoe dan? Nou, als de Man, die zegent en uitdeelt. Als de Man, die gaven geeft aan de mensen om Hem heen. De enorme indruk die de Heere Jezus bij deze twee mannen achterlaat is: Hij zat bij ons aan tafel, Hij brak het brood en deelde het uit. En dat is precies ook het beeld, die zij hebben gehad van Jezus Christus tijdens zijn leven. Deze opgestane Jezus Christus is dezelfde als die Hij was toen Hij rondwandelde op aarde. Toen Hij tweemaal een enorme menigte mensen heeft gevoed met brood. En daarin zijn overvloedige genade heeft getoond.

En ze herinneren Hem ook, als de Man, die het Pascha heeft vervuld, met zijn lijden en sterven. En daarom het Pascha heeft afgeschaft, en daarvoor in de plaats het Avondmaal heeft ingesteld. Toen Hij het brood heeft gebroken, en heeft uitgedeeld en zei: “Dit is mijn lichaam voor u.”

Dat zullen Kelopas en zijn vriend wel niet zo scherp voor de bril hebben, zij waren er niet bij toen Jezus Christus het heilig Avondmaal heeft ingesteld. Maar de Emmaüsgangers zeggen juist dit element tegen de discipelen. Als zij ’s avonds in Jeruzalem aankomen en verslag doen bij de discipelen, dan zeggen zij: ‘Hij brak het brood’.’ Kijk, die discipelen zullen ongetwijfeld gedacht hebben aan hun Heere Jezus Christus, die met hen het brood gebroken, vlak voor zijn sterven.

Deze opgestane Jezus Christus heeft zijn leven gegeven voor al de zijnen. En in zijn geduld en liefde ziet Hij om naar zijn volk, en deelt Hij zijn genade en zijn gaven uit aan de mensen. Zo mogen de Emmaüsgangers de Heere Jezus leren kennen. Zo mogen wij Jezus Christus leren kennen, door de Emmaüsgangers. Hij is de Verlosser, die genade uitdeelt aan de mensen.

Als de Emmaüsgangers de Heere Jezus herkennen, dan is Hij opeens verdwenen. Hij wordt onzichtbaar voor hen, staat er, Hij is niet meer in hun midden. Hoe dat precies gebeurd is, staat er niet.

Maar in dit wonderlijk handelen van de Heere Jezus mogen we iets moois leren. Als er ongeloof is, dan houdt de Heere onze ogen gesloten voor Jezus Christus. Maar als we gaan geloven, dan mogen we Hem zien, wie Hij is en wat Hij gedaan heeft.

En tegelijk leert Jezus Christus zijn discipelen dan ook: als ze echt in Hem geloven en Hen vertrouwen, dan moeten ze ook leren, dat Hij er ís, ook al zien ze Hem niet. Zo moeten de discipelen straks de wereld ingaan en het evangelie verkondigen.

Op dat moment was de Heere Jezus immers bezig om weg te gaan, afscheid te nemen van zijn discipelen. Straks vaart Hij op naar de hemel. Dan moeten ze weten: ook al zien we Hem niet, Jezus Christus troont in heerlijkheid in de hemel.

De Emmaüsgangers krijgen geen opdracht van Jezus Christus om hun ervaringen aan de discipelen te vertellen. Tenminste, dat lezen we niet in de Bijbel. Maar ze zijn zo blij, zo dankbaar, zo vol vreugde, dat ze de nacht niet willen wachten. Ondanks dat het 11,5 km is terug naar Jeruzalem, ondanks dat de avond al valt gaan ze terug.

En ze vertellen deze twee dingen aan de discipelen. Wat hen onderweg is gebeurd. En hoe Jezus Christus zichzelf aan hen openbaarde bij het breken van het brood.

Het blijkt dan geen nieuws meer te zijn voor de discipelen. Ze weten het al: de Heere is waarlijk opgewekt zeggen ze, vers 34 Echt, Hij leeft weer. Langzaam begint bij hen het geloof steeds meer voet aan de grond te krijgen. Op allerlei verschillende manieren brengt Jezus Christus zijn discipelen weer op het goede pad. Hij zet ze weer op het spoor van het geloof.

Maar de Emmaüsgangers mochten wel een bijzonder en leerzaam verhaal vertellen aan de discipelen in Jeruzalem. Namelijk, dat het er nu op aan komt. Ook al wandelt de Heere Jezus niet meer met hen op aarde. Ook al is Hij bezig om heen te werken naar zijn hemelvaart, en zal Hij straks van hen scheidden, wat zijn lichaam betreft. Tóch is Hij steeds bij hen. Dat moeten ze geloven. Hij is er, door het Woord van God en door de Geest van Christus. Jezus Christus is de Levende.

En juist als Levende kan Hij vanuit de hemel levend maken door zijn Woord. Zodat harten in brand worden gezet door de Heilige Geest. Dat gebeurde toen bij de Emmaüsgangers. Dat kan de Heere ook vandaag nog doen. Sterker nog, dat doet Hij ook vandaag.

Want Jezus Christus heeft de dood overwonnen. Het is Pasen geweest, Hij leeft. En Hij maakt mensen levend door zijn Woord.

Dat wil Hij bij u en jou en mij doen. Als we lauw zijn, en het Woord ons weinig in beweging brengt. Als je dat bij jezelf merkt, dan mag je dat in alle eerlijkheid en vertrouwen zeggen tegen God, als schuldbelijdenis. En dan mag je vragen: Heere, werk krachtig in mij. Zet mijn hart weer in vuur en vlam, maar mijn hart brandende voor U en Uw Zoon Jezus Christus. Zo mag u Jezus Christus, de Levende, steeds voor ogen houden.

Ook als u beproeft wordt in uw vertrouwen. Als u ziet dat verbondskinderen de goede weg kwijtraken. Misschien moet u dat wel constateren bij uw eigen kinderen. Dan mag u toch geloven: het is Pasen geweest. Jezus Christus is de Levende, en Hij werkt met zijn Geest en Woord, ook vandaag. Jezus Christus kan harten openbreken met zijn machtig Woord.

En dan mogen we ook denken aan mensen in andere religies. Joden, boeddhisten, mensen van het hindoeïsme. Mensen die zeggen dat ze niet geloven. En moslims. Juist in deze tijden van nood en moeite mogen we zeggen: het is Pasen geweest. Heere, wilt u ook de harten van velen openbreken. Zodat zij worden stilgezet en tot inkeer komen. Zodat ook zij U en Uw Zoon Jezus Christus mogen leren kennen. En uw grote liefde zien in Jezus Christus. Het Woord van God werkt. Want Jezus Christus leeft.

Het is Pasen geweest, Jezus Christus is waarlijk opgestaan. En Hij laat zijn Woord verkondigen, al de eeuwen door. Dat is het Woord, dat ook onder u gepredikt wordt. Wat u nu weer mocht horen.

Dat dit Woord van God, geliefde gemeente van onze Heere Jezus Christus, ook in uw harten de uitwerking mag hebben van geloof en liefde. Zodat uw hart steeds meer in brand gaat staan voor uw opgestane Heere Jezus Christus.

Amen.

Published inPreek

Reacties zijn gesloten.