Sla over naar de inhoud

Preek Zondag 23 HC

Als jij nu voor God zou staan. Als God jou nu zou moeten beoordelen. Wat zal Hij dan zeggen? Ben je dan rechtvaardig in zijn ogen? Of wordt je verworpen? Een cruciale vraag voor alle mensen. Weet jij hoe God jou beoordeelt? Een preek over Zondag 23 van de Catechismus, wat heb je er nu aan dat je dit alles gelooft?

Liturgie
Psalm 65:2
Psalm 32:1,5 (na wet)
Psalm 5:2,5,10 (na Schriftlezing)
Gezang 13:4 (na preek)
Psalm 85:3 (na geloofsbelijdenis)
Psalm 99:7,8

Schriftlezing 1 Joh. 1:5 – 2:6, NGB art. 23
Tekst Zondag 23

Preek Zondag 23 HC
Door ds. C. Koster

God rechtvaardigt zondaars in Christus
1. We verdienen Gods oordeel
2. ontvangen vrijspraak in Christus
3. Door het geloof

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

Vanaf zondag 8 tot en met zondag 22 is gesproken over de twaalf artikelen van het geloof. Zondag voor zondag is uitgebreid gesproken over de inhoud van het geloof. Wat betekent het als u zegt: ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon, ik geloof in God de Heilige Geest. In wie gelooft u precies? En welke beloften geeft deze drie-enige God u dan? Zondag aan zondag mocht u horen het evangelie in vele verschillende facetten en elementen. De prachtige, rijke beloften, die de Heere geeft aan zijn volk. En vorige week spraken we in Zondag 22 over het laatste artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis: Ik geloof de opstanding van het vlees en het eeuwige leven. En met Zondag 22 sluiten we de behandeling van de Apostolische geloofsbelijdenis af.

Maar voordat de Heidelbergse Catechismus dan verder gaat naar de volgende onderwerpen van doop, avondmaal, gebod en gebed, maakt de Catechismus eerst een soort tussenstop. Met Zondag 23 komen we als het ware bij een tussenrapportage. Zondag 23 is een zondag die ons even doet stilstaan.

Oké, dit alles gelooft u, op grond van Gods Woord. Maar wat is het nut daarvan? Wat hebt u er nu aan?

Nu voelt het misschien wat onfatsoenlijk om deze vraag te stellen. Je voelt je er haast wat ongemakkelijk bij. Mag je dat wel zo vragen: wat je nu aan het gelooft hebt? Of het geloof je ook persoonlijke winst geeft?

Maar aan de andere kant is het de normaalste zaak van de wereld om te vragen naar het nut van de dingen waarmee je bezig bent? Wat heb je eraan, als je straks je school hebt afgerond? Wat doel heb je voor ogen, als je je diploma op zak hebt? Welke winst geeft het je, als je gaat voor een uitbreiding van je bedrijf, of voor die promotie, of voor die verdiepende studie?

Nu, zo komt de catechismus ook met deze vraag over het nut bij het meest wezenlijke van uw leven: het geloof in de Heere God. Wat heb je daar nu aan? Waarom geloof je, waarom ben je lid van de kerk, waarom ben je bereid om zoveel tijd en energie aan de Heere God te geven? Ja, waarom ben je bereid om heel je leven in zijn dienst te stellen?

En door middel van deze vraag brengt de Heidelbergse Catechismus u bij het hart van het evangelie uit. Het evangelie, van Jezus Christus en die gekruisigd. Het evangelie, dat u in Christus voor God rechtvaardig bent en een erfgenaam van het eeuwige leven.

Rechtvaardig zijn voor God. Dat zijn waarschijnlijk hele bekende en vertrouwde woorden. In Christus ben ik rechtvaardig voor God. Maar wat betekent het precies?

Rechtvaardig zijn voor God, dat draait om de vraag: hoe oordeelt God over mij? Wat zegt God over mij, als ik kom te staan voor zijn rechterstoel? Zal God mij aannemen als zijn kind? Of zal God mij veroordelen en wegsturen als zondaar? Ben ik rechtvaardig voor God?

Nu, vandaag de dag zal u om u heen niet zo snel iemand tegenkomen die zich druk maakt over deze vraag: ben ik wel rechtvaardig voor God? Of: hoe wordt ik weer rechtvaardig voor God? Eerder komt u waarschijnlijk de omgekeerde vraag tegen: is God wel rechtvaardig tegenover mij? Tegenover ons? Tegenover de wereld? Hoe kan God grote natuurrampen toestaan, met vele honderden doden? Waarom kan God aanslagen en terreuracties niet voorkomen? God is toch bij machte om dat te doen? Waarom grijpt Hij dan niet in? Is God wel rechtvaardig en eerlijk tegenover zijn schepping, tegenover ons mensen?

Dat zijn grote, wezenlijke vragen. Die misschien ook wel eens bij u of jou bovenkomen.

Maar toch, als we de Bijbel eerlijk lezen, dan ziet u dat het niet aan ons is om God voor de rechterstoel te dagen. Maar dat het God is, die ons ter verantwoording roept. Mens, Adam, waar ben je? Wat heb je gedaan, daar, bij de boom van kennis van goed en kwaad? Kaïn, waar ben je, wat doe je, daar in het veld, bij je broer Abel? Mensen, waar zijn jullie, nu Noach de ark laat bouwen? Waarom luisteren jullie niet en bekeren jullie je niet van jullie zondige wegen? Volk Israël, waar bent u mee bezig, daar in de woestijn, bij het Gouden Kalf?

David, wat doe je, daar met Bathseba? En met Uria op het slagveld?

Het is de Bijbel die ons duidelijk dit oordeel geeft over ons mensen. Paulus werkt in Romeinen 3 haarscherp uit hoe het staat met de mensen. Paulus zegt daar, dat we Joden en Grieken, kortom alle mensen op deze aardbol, hebben beschuldigd, veroordeeld, dat zij onder de zonde zijn, zoals geschreven staat: er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Allen zijn zij afgedwaald voor God. De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

Het is Paulus, de bekeerde, gelovige Paulus, die over zichzelf zegt: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? En leest u het maar in 1 Joh. 1: als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij de Heere tot leugenaar en is zijn woord niet in ons.

Wij mensen dagen Gód niet voor de rechterstoel. Nee, integendeel, de Heere is Rechter. En als rechter daagt Hij ieder mens persoonlijk voor zijn rechterstoel. En daarom is deze vraag zo belangrijk, zo klemmend, voor ieder mens. Bent u, ben jij rechtvaardig voor God? Hoe staat het er nu écht voor met mij?

En dan niet maar, of je denkt dat je rechtvaardig bent. Niet maar, of je voelt dat je het wel goed gedaan hebt. En ook niet, of je het wel goed getroffen hebt met je zelf… Want dan komen er misschien wel hele positieve antwoorden. Het gaat hier om de vraag: wat als God uw, jouw leven zal oordelen?

Een belangrijke vraag. Als je straks belijdenis gaat doen van je geloof, dan moet je daar toch een antwoord op kunnen geven. En als u het Avondmaal mag vieren, gemeente, dan moet u daar toch een antwoord op kunnen geven? Ja, als u straks uit de kerk loopt, dan moet u dat toch weten? Ben ik rechtvaardig voor God?

Misschien, gemeente, houdt het u of jou wel eens bezig, die vraag: wat vindt de ander van mij. En daar kan je je dan zomaar heel erg druk over maken. Wat denken ze van mijn haar? Vinden ze me niet te dik of te dun? Denken ze misschien dat ik te slim ben of juist te dom?

Vindt hij me onhandig?

Vindt ze misschien dat ik mijn zoon of dochter verkeerd opvoed? Wat zullen anderen zeggen, als ze mij horen bidden?

Zo gemakkelijk kunnen die vragen je dan bezig houden. Nou, maar heb je er wel eens over nagedacht wat God van jou vindt? Wat Gods oordeel is over jou doen en laten?

Kijk, en als u deze vraag zichzelf stelt, gemeente. Dan kunt u zich niet verbergen. Dan kan u die duistere plekken en verborgen gedachten die er misschien soms zijn in uw of jou leven niet wegpoetsen. Tegenover de Heere gaan al de maskers af. Hij ziet u en kent u en doorgrondt u. Psalm 139: Heer u doorgrond mij van omhoog. U kent mijn zitten en mijn gaan, van verre kent u mijn gedachten.

Wat ingrijpend, dat je dan moet beseffen: ja, ik sta schuldig tegenover de Heere. Ja, ik ben zondaar, ik ben Gods oordeel waardig.

Vraag en antwoord 60 van de Heidelbergse Catechismus zegt dat mijn geweten mij aanklaagt. Hoe kan het, dat mijn geweten dat doet? Omdat het geweten gevormd is door Gods Woord. Omdat mijn geweten zegt: ik ben een zondaar, ik overtreed de geboden van de Heere. En dat niet alleen, ik schiet ook tekort in al die dingen, die God van mij vraagt. En dat niet alleen, ook voor de toekomst weet ik zeker, dat ik opnieuw in zonden zal vallen. Mijn geweten zegt: zondaar, schuldig tegenover God! Tenminste, als u uw geweten laat spreken. Het kan ook zijn dat u uw eigen geweten het zwijgen hebt opgelegd. Dan zie je de zonde niet meer, en besef je je schuld tegenover God niet meer. Maar de Heere wil uw geweten zo vormen, dat u inderdaad beaamd wat de Bijbel ook zegt: ja, ik ben een zondaar tegenover God.

En wat als u dan zó voor God staat? Wat zal God dan zeggen? Wat is dan het oordeel van God? Wat zal God uitspreken als het tot een finaal oordeel komt? Daarover het tweede gedeelte van de preek.

Want het enige wat u feitelijk kunt verwachten, is het oordeel van God. Maar komt God met zijn oordeel? Zegt Hij dat u vanwege uw zonden het eeuwig oordeel zal ontvangen?

Nee, integendeel. De Heere komt met zijn wonderlijke vrijspraak.

Denkt u aan de hogepriester Jozua uit Zacharia 3. Hij staat in een visioen voor het aangezicht van Engel van de HEERE. En dan komt de satan aan zijn rechterhand staan om Jozua aan te klagen. En de satan had reden om Jozua aan te klagen, want Jozua stond met vuile kleren gekleed. Vuil van zonde en schuld tegenover de Heere. Vuil van de zonde en schuld van het volk tegenover de Heere.

Maar veroordeelt de Heere Jozua dan? Zegt de Heere: verdwijn uit mijn ogen, en kom nooit meer terug? Nee, de Heere legt juist de satan het zwijgen op. Want inderdaad: Jozua is vuil van zonden en schulden. Maar dat is niet het enige. Want de Heere zegt: trek Jozua die vuile kleren uit! Zijn ongerechtigheid wordt weggenomen. De Heere doet hem feestkleren aantrekken. Zo mag Jozua, in tegenstelling tot alle verwachtingen, vrijspraak ontvangen. Genade, vergeving van zonde, verzoening met God.

En zo is het eigenlijk met iedere gelovige. Zo is het voor u en jou en mij. Tegenover de Heere staat u met vuile kleren. En God zou het volste recht hebben, om u te veroordelen. Om te zeggen: op grond van je zonden en overtredingen en tekortkomingen wijs ik je af. Maar doet de Heere dat? Nee, Hij spreekt vrij. Hij spreekt van genade en vrede. Doe hem, doe haar die vuile kleren uit. En trek hem, trek haar feestkleren aan.

Hoe is dat mogelijk? Hoe heeft Jozua dat verdiend? Heeft u dat verdient, broeder, zuster? Moeten jullie daar iets voor doen, jongens en meisjes?

Moet je daarvoor goed gedrag laten zien. Moet je dan heel veel bidden tot God en heel goed je best doen? Zodat de Heere dan zegt: nu is het genoeg, nu vergeef ik je zonden? Moet je muntjes of punten verdienen? En als je dan uiteindelijk zoveel hebt verdient, dat de Heere dan al je verkeerde dingen weer vergeet en wegdoet?

Moet je een examen afleggen? Moet je geloof groot genoeg zijn? Moet je genoeg uren in dienst van God hebben gewerkt?

Nu, gemeente, niets van dat alles. De Heere spreekt vrij. Niet omdat u of jij dat zou verdienen. Maar omdat Christus uw Verlosser is. In Christus bent u voor God rechtvaardig.

Johannes zegt in 1 Joh. 2: wij hebben een Voorspraak bij de Vader! Jezus Christus, de Rechtvaardige. De Rechtvaardige, zegt Johannes daar met nadruk bij. Jezus Christus is de Man, die perfect heeft gedaan, wat God van Hem vroeg. Hij heeft heel de wet van God vervuld. Hij is uw Voorspraak. Hij neemt het voor u op! Hij zegt tegen zijn Vader in de hemel: die man, die vrouw, die jongen, dat meisje, die hoort bij Mij! Ik heb betaald voor zijn, voor haar zonden. Zij heeft wel gezondigd, hij heeft wel het oordeel verdiend. Maar zie hen aan door mijn offer, door mijn bloed. Ik bedek hun zonden, Ik was al die zonden helemaal weg, Ik maak hen schoon.

Wat een machtig wonder, gemeente. Jezus Christus spreekt vrij van zonde en straf.

De Heidelbergse Catechismus werkt zo mooi uit hoe groot dat wonder is. Het geweten klaagt mij aan, zegt de Heidelbergse Catechismus. En het mooie is, dat hier eigenlijk een driedubbele aanklacht wordt omschreven, maar ook een driedubbele vrijspraak. Kijkt u maar. Allereerst staat er dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd heb. Niet maar één, nee, alle. En niet een kleine beetje, een lichte overtreding. Nee, zwaar gezondigd. De liefde voor God, de liefde tot mijn naaste, zo vaak was het niet bij mij te vinden.

Maar dan komt Christus. God schenkt mij de volkomen voldoening van Christus. Het lijden van Jezus Christus, in heel zijn leven. Dat was voor mij. Al mijn zonden en schulden zijn verzoend. Dat wordt u toegerekend, alsof u nooit enige zonde had gehad of gedaan.

Maar daarmee is het nog niet klaar met mij. Want ik ben een zonder, die zich ten tweede ook nog aan geen enkel gebod gehouden heeft. Dat is nog net weer iets anders dan het overtreden van Gods gebod. Het kan immers zijn dat je een gebod niet overtreedt, maar dat je dat gebod tegelijk ook niet doet.

Als de Heere zegt dat je je vader en je moeder moet eren. Dan is het een overtreding van dat gebod, als je je ouders uitscheldt. Maar als je hen niet uitscheldt, terwijl je hen tegelijk ook niet met alle nodige liefde en respect behandeld, dan heb je dat gebod niet gehouden. En sta je alsnog schuldig tegenover het vijfde gebod.

Nu, ook daarvoor komt Christus. Want God schenkt u ook de gerechtigheid van Jezus Christus. Dat is al de volmaakte gehoorzaamheid van Christus aan al Gods geboden. Die wordt u toegerekend, alsof uzelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor u volbracht heeft!

Maar dan is het nog niet klaar met mij, zondaar als ik ben. Want ik weet ten derde ook van mijzelf dat ik een zondaar blijf. Ook al zou ik nu volkomen vrijspraak ontvangen, in de toekomst zal ik opnieuw de geboden van God overtreden.

Ook daarvoor komt Christus, gemeente. God schenkt u ook de heiligheid van Jezus Christus. Zodat heel zijn glorie en heiligheid u bedekt. En u ook in de toekomst eeuwig zeker bent van vrijspraak. Omdat u in Christus heilig bent.

En het is belangrijk om dat wel zó te zeggen: in Christus ben ik heilig. In Christus ben ik rechtvaardig. In Christus keurt God mij goed.

Want u bent en blijft zelf zondaar. God spreekt geen heilige en volmaakte mensen vrij. Nee, Hij spreekt zondaren vrij. God schenkt u vergeving van zonden en de gerechtigheid en heiligheid van Christus, alsof u zelf alles volbracht heeft. Maar u heeft natuurlijk niet alles zelf volbracht.

En is en blijft een genadegeschenk van God. Geschonken gerechtigheid. U bent niet rechtvaardig, in die zin dat u zelf iets verdiend zou hebben. Dat u zelf toch wel goede werken zou hebben, die u in Gods ogen beter zouden maken. Nee, niets daarvan. U bent zondaar, schuldig voor God. Maar u ontvangt Christus’ voldoening, gerechtigheid en heiligheid. Zo groot is Gods genade en zijn liefde. God heeft u een Voorspraak gegeven. Jezus Christus, zijn geliefde Zoon.

Ja, maar is dat dan wel eerlijk? Als ik zelf zondaar ben en blijf, en God is een rechtvaardige rechter, hoe kan ik dan vrijspraak ontvangen? Nu, als ik een moord heb begaan, maar de rechter spreekt mij vrij, dan is dat uiteraard een vergissing. Maar als God mij vrijspreekt, terwijl ik inderdaad heb gezondigd en te veroordelen ben, dan is dat niet een vergissing. Want God oordeelt dat vanwege het feit dat Christus’ rechtvaardigheid mij gegeven is.

En dat oordeel van God is beslissend. Dat mag uw leven gaan bepalen, broeders en zusters. Niet de vraag of u zich schuldig voelt. Niet wat uw geweten u zegt. Niet wat anderen van u zeggen. Nee, Gods oordeel is beslissend. En wat is zijn oordeel? Hij spreekt u en jou vrij.

“Wij hebben allen gezondigd en missen de heerlijkheid van God. En worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus” Rom. 3:24. “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus” Rom. 5:1. “Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen is er voor ons genezing gekomen!” Jes. 53:5.

En zo komen we bij het derde gedeelte van de preek. Dat je deze vrijspraak mag ontvangen door het geloof. Het geloof staat er steeds bij, bij elke vraag en antwoord in deze Zondag. Je moet wel geloven om dat evangelie te ontvangen. Je moet geloven in Jezus Christus, en in al Gods beloften. Dan ontvang je vrijspraak.

Als je gedoopt bent, dan heb je de beloften ontvangen. De Heere belooft je zo bijzonder veel. En Hij vraagt dan van u en jou: neem dat aan, geloof het, beaam mijn beloften. Laat de Heilige Geest in je werken, zodat je ook Mij lief hebt, als de God van Vader van Jezus Christus.

En als je daar dan ja en amen op zegt. Als je geloofsbelijdenis wilt gaan doen. Of als u al geloofsbelijdenis hebt gedaan. Dan gebeurt dat zo iets machtigs. Dan is daar die wonderlijke ruil. Dan gaat Christus in jouw plaats staan. Hij neemt al je schulden en zonden over. En Hij geeft je al zijn gehoorzaamheid en gerechtigheid. Wie gelooft, die mag ruilen met Jezus Christus. Een zeer winstgevende ruil! Een wonderlijke ruil, die allen maar kan gebeuren, omdat God genadig en liefdevol is.

Houdt de Heere dan van de gelovigen, omdat ze geloven? Spreekt de Heere gelovige mannen en vrouwen die belijdenis doen dan vrij, omdat ze zo goed en zelfverzekerd hun ja-woord geven. Nee, dat is niet de reden, waarom de Heere vrijspreekt. Gelukkig niet, kunnen we wel zeggen. Want als je dan later eens weer zou twijfelen? Als je later toch weer in zonden valt, struikelt, worstelt? Moet je dan ook twijfelen aan het oordeel van God, dat Hij je niet meer vrijspreekt?

Nee, gelukkig ligt het anders. Hij spreekt u en jou vrij, niet omdat u gelooft. Hij spreekt je vrij, omdat Christus alles heeft verdiend. Omdat Christus in jou plaats geleden heeft en gestorven is. En door het geloof mag u zeggen: Christus’ verdienste is van mij. Door het geloof mag je het offer van Christus jouw eigendom maken. Toe-eigenen, noemen we dat. Dat betekent: Jezus Christus stierf niet alleen voor anderen aan het kruishout, maar ook voor mij. Ook voor mij!

En daar is niets van uzelf bij, gemeente, wat u beter of meer waard maakt dan anderen. Geen enkele reden in uzelf wat u meer kostbaar zou maken in Gods ogen dan welk ander mens ook. Wij zijn allen even zondig en schuldig.

Het evangelie van vrijspraak door het geloof in Jezus Christus. Dat is het evangelie dat u mag ontvangen, zegt vraag en antwoord 60. God schenkt het u. Zonder enige verdienste van uw kant. Alleen uit genade.

En natuurlijk blijft u dan niet zondigen, alsof het allemaal maar niets uitmaakt. Nee, uit liefde heb je juist het hartelijke voornemen om dat doen, wat Jezus Christus van je vraagt.

Maar dat is niet de reden van uw redding. Want u wordt niet gered vanwege uw goede werken. Niet vanwege uw christelijk leven. Niet vanwege uw vroomheid. Niet vanwege uw zo fijne karakter. Niet omdat je zo goed je best doet. Nee, enkel en alleen, omdat Jezus Christus alles heeft verdiend. Alles! Hij is de enige grond van uw heil.

Dat mag uw troost zijn, gemeente, in leven en sterven. Ik ben het eigendom, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Amen.

Published inCatechismusPreek

Reacties zijn gesloten.