Sla over naar de inhoud

Preek Hebreeën 13:13-16

De tweede en laatste preek over het lijden van Christus en het lijden van christenen, Hebr. 13:13-16. We staan stil bij de klemmende oproep: ga uit tot Christus buiten de legerplaats en draag Zijn smaad.

Preek Hebr. 13:13-16
Door ds. C. Koster

Liturgie
Psalm 95:3
Psalm 50:7 (na wet)
Psalm 44:4,7 (na Schriftlezing)
Gezang 13:5,6 (na preek)
Psalm 96:5 (na geloofsbelijdenis)
Gezang 38:5,6,8,9

Schriftlezing Hebr. 11:8-10, 24-27; 13:10-21
Tekst Hebr. 13:13-16

Ga tot Christus uit buiten de legerplaats en draag Zijn smaad
1. De smaad van Christus
2. moeten de gelovigen dragen
3. en God behagen

Preek
Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

U krijgt de oproep om de smaad van Christus te dragen. Wat is dat precies, de smaad van Jezus Christus?

Het gaat hier over de smaad die op Jezus Christus neerkwam van de mensen om Hem heen. De smaad die Hij zelf gedragen heeft. In Hebreeën 13 is dat net in de verzen hiervoor uitgelegd en uitgewerkt. In de vorige preek over Hebreeën 13 stonden we daarbij stil. De schrijver zien dat Jezus Christus buiten de poort heeft geleden. En juist omdat zijn lijden en sterven buiten de poort was, betekende het voor Jezus Christus grote schande en smaad.

Waarom was dat dan moeilijk voor Jezus Christus? Jezus Christus wilde met zijn kostbaar bloed zijn volk heiligen. En daarom moest Hij al de zonden van zijn volk op zich nemen. Al uw en jouw zonden heeft Hij opgezogen en op zichzelf geladen. Daardoor werd zijn volk vrij van zonde. Maar Jezus Christus zelf werd met die zonde beladen. Hij werd als het ware een brok zonde. Een en al zonden. Niet omdat Hijzelf zondig was of is. Maar omdat onze zonden op Hem lagen. Net als dat offerdier uit het Oude Testament, waar we in de vorige preek over spraken. Zo’n offerdier droeg al de zonden van het volk. En vanwege die zonde mocht dat offerdier niet in de heilige stad Jeruzalem blijven. Zo mocht ook Jezus Christus niet in Jeruzalem blijven, die heilige stad. Jezus moest, met onze zonden beladen, buiten de stad lijden en sterven.

Zouden de mensen dat toen ook geweten hebben? Nee. De mensen die Jezus Christus buiten de poort brachten, dachten er heel anders over. Zij waren vol afkeer en ongeloof. Zij riepen het uit: weg met Hem, kruisig Hem. Buiten de heilige stad met Hem. Naar Golgotha, aan het kruishout met Hem. God zond zijn eigen Zoon. Maar Hij werd door het volk van God miskent en niet geloofd. Hij werd verworpen, buitengeworpen. Hij moest alles achter laten.

En als we het leven van Jezus Christus overzien, dan merken we op dat die smaad en schande tijdens zijn hele leven op aarde eigenlijk steeds aanwezig was. En hoe dichter Hij bij het kruishout komt, hoe scherper de vijandschap wordt, hoe groter ook de smaad wat Hij moet dragen.

Hoe ze het recht schenden en Hem een oneerlijk proces geven. Hoe Hij wordt veroordeeld voor het Sanhedrin en door Pilatus. Hoe de soldaten Hem slaan en mishandelen. Hem bespugen en bespotten als profeet en koning. Zelfs tot aan het kruishout toe. Ze maakten Hem belachelijk. In Marc. 15:32 staat het bijvoorbeeld, zo scherp, zo ingrijpend: “Laat de Christus, de Koning van Israel, nu van het kruis afkomen, opdat wij het zien en gaan geloven.” “En ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.”

Jezus Christus moest al die smaad dragen en lijden. Zo staat ook in Hebr. 12:2: “Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God.” De weg van publieke en smadelijke kruisiging. Zelfs zijn kleren werden Hem afgenomen en werden verdobbeld. Publiek naakt en te schande gemaakt.

Zo is Hij de vervulling van de profetie, bijv. Jes. 53:3: “Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten! […] Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.”

Dit is de smaad van Jezus Christus, gemeente, waarover Hebr. 13 ons vertelt. De vernedering en de schande die Jezus Christus moest ondergaan, die Hij moest dragen.

En die smaad, die Jezus Christus gedragen heeft, die wordt genoemd in vers 13 als het gaat over de christenen, de volgelingen van Jezus Christus. Christenen zullen bereid moeten zijn om de smaad van Christus te dragen. De Heere Jezus ontmoette smaad en schande door mensen die niet in Hem geloven. En die smaad en schande zal dus ook hen overkomen, die Jezus Christus volgen. Hen, die bij Jezus Christus willen horen. Ook zij zullen schande moeten verwachten van hen, die niet in Jezus Christus geloven.

En daarom bepalen onze tekstverzen ons allereerst bij deze belangrijke keuze. Wilt u, wil jij bij Jezus Christus horen. Wil je Hem belijden als jouw Verlosser en Redder. Dat is een keuze. Of sterker gezegd, dat is de oproep die tot u en jou komt vandaag. Een oproep voor jong en oud, om tot Jezus Christus te gaan. Om tot Hem uit te gaan, staat er. “Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.” Wil je horen bij Hem? Hij die zelf de Gekruisigde, de Verworpene, de Gesmade is. Hij was het toen. Maar Hij is dat ook vandaag nog steeds, voor vele mensen die niet in Hem geloven. Ze leven langs Hem heen. Ze ontkennen dat Hij God is, dat Hij Gods Zoon is. En zo verwerpen en smaadden ze Hem nog iedere dag.

En nog sterker, ook vandaag zijn er mensen die openlijk de spot drijven met het geloof. Je hoeft de kranten er maar op na te slaan. Geloof en kerk zijn gemakkelijk doelwit van spot, laster en vertier.

En dan is daar die oproep: ben je bereid om ook te delen in de smaad van Christus? Een klemmende en indringende vraag, voor ieder. Ben je bereid om als christen door het leven te gaan? Om te horen bij Christus, en zijn smaad te dragen? Christus roept je daartoe. God nodigt je uit. Om zijn naam te belijden. Om openlijk te erkennen en te zeggen: ja, ik volg Hem. Ook ik hoor bij Hem.

En daarmee zitten we bij het tweede gedeelte van de preek. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt dat we moeten uitgaan buiten de legerplaats. Wat betekent dat precies, dat uitgaan tot Christus?

Zoals u waarschijnlijk wel weet is de stad Jeruzalem 70 jaren na de komst van Christus gevallen. Deze oproep om uit te gaan buiten de legerplaats zou te maken kunnen hebben met deze val van Jeruzalem. Voor de eerste lezers van deze brief kwam dat moment dichterbij. En denkt u aan Jezus Christus zelf, die ook de val van de stad Jeruzalem al had aangekondigd. En de mensen ook opriep om dan de stad te verlaten. Maar we hoeven daarmee nog niet te zeggen dat deze tekstverzen alleen maar te maken hebben met de stad Jeruzalem.

Het uitgaan buiten de legerplaats heeft een bredere en diepere betekenis dan alleen maar Jeruzalem verlaten. Ook de profetie van Jezus Christus over de val van Jeruzalem had een bredere en diepere betekenis dan enkel de val van Jeruzalem. Jezus Christus liet daarin zien de tekenen van de tijd en het naderen van zijn wederkomst op de wolken. Hij sprak daarin ook over het eindoordeel, als Hij terug zal komen naar de aarde.

Zo kunnen we hier in Hebr. 13 zien dat het ten diepste om een andere vraag gaat. Namelijk over de vraag of je bereid bent alles te verlaten omwille van de naam van Jezus Christus. Dat je bereid uit te gaan tot Christus. Dat je uitgaat, weggaat bij wat je hebt opgebouwd in je leven. Maar dat je, als het er op aan zou komen, kiest: ik wil horen bij Jezus Christus. En als het moet, dan ben ik bereid te verlaten alles wat ik lief heb. Ook als dat mijn werk en mijn eigen bedrijf moet verlaten. Ook als ik vervolging en verdrukking moet lijden. Ook als ik stad en land zou moeten uitgaan. Ben je bereid zijn smaad te dragen en uit te gaan tot Hem?

Een hele ingrijpende vraag. Een hele leerzame vraag ook. Bent u, ben jij bereid om dingen los te laten en achter je te laten, als dat moet. Als je deze vragen echt overweegt, dan kom je er achter wat het geloof je waard is. Of beter gezegd, wat Christus je waard is. En je leert al je vertrouwen op Hem alleen te stellen. Om Hem boven alles te plaatsen. En ook je eigen naam of eer of wat je hebt opgebouwd, om dat van minder waarde te achten.

Kijk, en natuurlijk moet je die vervolging, of die smaad niet zelf opzoeken. Je moet er niet op uit zijn om in het oog te lopen, dat je graag wilt dat je door mensen als een vrome christen weggezet wordt. En ook moet je zelf geen aanleiding geven voor laster van anderen, door zonden of struikelingen of gebreken. Zoals Petrus ook zegt, 1 Petr. 4:15: lijdt niet als moordenaar of dief of kwaaddoener of als iemand die zich met de zaken van iemand anders bemoeit.

Maar als je gewoon trouw christen bent op je plek. Dan kan het je overkomen, dat je ook als christen moet lijden. Dat mensen je belachelijk maken. Dat je er niet bij hoort. Dat ze je dom of achterlijk vinden. Nou, zegt Hebreeën, wees maar niet verrast, als dat gebeurt. Het is Christus overkomen. Wees bereid, om het ook te dragen als dat moet. Ga uit tot Christus. Plaats Hem op nummer één in je leven.

Wat moet deze oproep bemoedigend geweest zijn, gemeente, voor al die kinderen van de Heere, die vervolging en verdrukking hebben moeten lijden, vanwege het geloof. Voor die christenen vandaag en vroeger, die vanwege hun geloof gemarteld en vervolgd werden. En die niet wisten of het zelfs hun leven zou kosten. Hoeveel troost en kracht moet het hen gegeven hebben, juist deze woorden. Wij dragen de smaad van Christus. Zij kunnen zich daaraan vastklampen: het is de smaad van Christus! Deze smaad en schande draag ik, omdat ik bij Hem hoor, mijn Verlosser. Ik verlies misschien veel in mijn leven. Maar Hem verlies ik niet. Hem heb ik lief boven alles. Ja, ik ben bereid om mijn leven te verliezen. Om het echte leven in Jezus Christus te mogen ontvangen.

Wij hebben hier geen blijvende stad, zegt vers 14 daar heel mooi bij. Wij zoeken de toekomstige! Natuurlijk moeten we op aarde leven en onze talenten ontwikkelen. Maar als je over zulk soort vragen nadenkt, van lijden, smaad, vervolging. Dan weet je: het leven is hier tijdelijk. Wij hebben hier geen blijvende stad. Ik hou mijn ogen gericht op die hemelse stad Jeruzalem, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is (11:10). Op het hemelse vaderland (11:16). Daar is het huis van Vader, daar heb ik mijn echte Thuis.

En dat is een bewust zoekproces, gemeente. Wij zoeken de toekomstige, staat er. De werkwoorden in het Grieks geven dat hier ook aan: het gaat steeds door. Dat is niet afgerond. In de moeite en de smaad die als christen op je pad kan komen, is het de grote aanvechting om inderdaad trouw te zijn. Om inderdaad bereid te zijn de smaad van Christus te dragen.

Wat een strijd kan dat vragen. Misschien kent u daar wel iets van in uw of jouw leven. Dat je wist: ik wil Jezus Christus volgen, maar dan moet ik ook dit of dat opgeven. Dat moet ik ook dit of dat loslaten. En wat zullen de mensen dan niet zeggen? Wat zullen ze van me vinden?

Weet u wat dan zo belangrijk is, gemeente. Dat u ziet op Jezus Christus. Dat u steunt op Hem. Dat u troost vindt bij zijn lijden, bij zijn schande, bij zijn smaad. Dat je dan mag zien en zeggen: “Heere Jezus Christus, dank u voor alles wat ú ondergaan en gedragen hebt.” Want zijn lijden was zo zwaar. Jezus Christus moest bij al die smaad en schande en lijden bovenal ook Gods toorn dragen. Hij wist: God zelf doet mij deze smaad ondergaan. Ik wordt hier te schande gemaakt. Opdat Gods volk nooit meer te schande zal worden. En juist omdat Jezus Christus zo te schande is gemaakt, mag u moed putten en kracht vinden bij Hem, die geleden heeft om onze zonden.

En als je er op let, gemeente, dan valt het op hoe vaak dit aspect van lijden van christenen omwille van de naam van Christus terugkomt in de Bijbel. Jezus Christus zei het al in zijn Bergrede, Mat. 5:11-12: “Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.” Het is niet uniek of bijzonder, als christenen worden vervolgd. Je staat juist in een lange traditie van de kinderen van God, die ook lijden en laster en smaad en schande moesten dragen.

En denkt u aan Mozes, wat we gelezen hebben in Hebr. 11:26: Mozes “beschouwde de smaad van Christus als grotere rijkdom dan de schatten in Egypte, want hij had het loon voor ogen.”

Maar, wat betekent die bekende zin uit het Avondmaalsformulier dan, waar we zeggen dat Jezus Christus “met smaad is overladen, zodat wij nooit meer te schande zouden worden?” Wordt ik echt nooit meer te schande?

Nu, deze zin betekent niet dat u nooit meer hier op aarde te schande zal worden gezet. Christenvervolging in heden en verleden laten dat duidelijk zien. Maar deze zin betekent wel dat God u niet te schande zal maken. Wie gelooft in Jezus Christus mag weten: mijn zonden zijn verzoend. Alles is volbracht. God heeft mij aangenomen tot zijn kinderen, tot erfgenaam van het eeuwige leven. Hij is mijn Vader, Hij zet mij niet te schande. Juist als ménsen je onrecht of schande aandoen, dan mag je weten: God zet mij niet te schande. Bij Hem ben ik veilig.

Ja sterker nog, dan mag je weten dat Hij eens recht zal doen. Dat Jezus Christus zal terugkomen op de wolken om te oordelen de levenden en de doden. Dan zal Hij recht doen over allen die God en Jezus Christus en zijn kerk te schande hebben gemaakt. En dan zullen al Gods kinderen ook openlijk getoond worden, dat hen geen blaam treft. Niet omdat ze zonder zonde zijn. Maar wel omdat zij bij Jezus Christus horen. Jezus Christus zelf zal het voor hen opnemen. Hij is hun Verlosser!

Zo komen we tot slot bij het derde gedeelte van de preek, waarin we stilstaan bij verzen 15-16. Daar staat deze oproep: verheerlijk God. Doe wat Hem behaagt, waar Hij een welgevallen aan heeft, wat Hij goed vindt.

Met het offer van Jezus Christus zijn we alle offers voorbij. Hij heeft hét offer gebracht, tot verzoening van al onze zonden. Juist daarom heeft Hij buiten de poort geleden en zijn leven gegeven aan het kruishout. Maar toch zijn daarmee niet álle offers afgelopen. Heel mooi wordt daarop gewezen in de verzen 15-16. Een lofoffer, de vrucht van onze lippen, het weldoen en hulpbetoon. Want aan zulke offers heeft God een welgevallen, staat er.

Nu Jezus Christus zijn volk geheiligd heeft, hoeven wij niet meer zoenoffers te brengen. Maar de dank- en lofoffers blijft God van u en jou vragen.

De vrucht van de lippen. Zoals dat ook staat in Hos. 14:3: Heere, “neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan. Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.” Dan wil de Heere die offers ook aannemen. Offers, omdat je Hem prijst in je psalmen en je gebeden. Offers, omdat je zijn naam belijdt of van Hem getuigt waar je de gelegenheid krijgt. Belijden, en niet schamen.

En weldoen, wordt erbij genoemd. Nog zo’n mooi, bijzonder offer om te brengen voor de Heere. Waar Hij een welbehagen in heeft. Weldoen, in de volle breedte. In je eigen omgeving, naar je buren, je collega’s. Door te dienen, te helpen, te sterken en te bemoedigen. Als je je ogen open hebt, dan zijn er zoveel mogelijkheden voor een helpende hand, een goed gebaar. En dan is het echt niet zo dat je geen tijd of geld meer voor jezelf over mag hebben. Natuurlijk hoef je jezelf niet voorbij te rennen, daar is niemand bij gebaat. Maar weldoen als de barmhartige Samaritaan, dat zal bij iedere christen hoog in het vaandel moeten staan!

En de onderlinge hulpbetoon wordt daar nog apart bij genoemd. Omdat hier het woord ‘onderling’ bij staat moeten we allereerst denken aan het omzien naar elkaar binnen de gemeente. Ging het weldoen met name over uw gedrag buiten de gemeente. Dit hulpbetoon spreekt over uw inzet en liefde tot de broeders en zusters. Ook daartoe bent u geroepen, op door uw hulpbetoon aan uw naaste uw God te dienen.

Aan zulke offers heeft God een welgevallen. Dat is bijzonder om te lezen. Juist als het gaat over schande en moeite wat je als christen kan meemaken. Wat je bereid moet zijn om te dragen. Tegelijk moet je ook dan weldoen en hulpbetoon laten zien. Hoe bijzonder! Naar de mens gesproken een onmogelijke opdracht. Maar toch zegt God dat tegen zijn kinderen, ook als ze moeite en lijden ondergaan. Hoeveel te meer komt deze opdracht dan tot u en jou en mij, gemeente, wij die vaak geen verdrukking en vervolging hoeven te ondergaan?

Waarom geeft de Heere deze opdracht, juist ook in moeilijke tijden? Want daarin heeft God welgevallen, staat er. Weet u waarom God daarin een welgevallen heeft, gemeente? Omdat je dan in je lijden en moeite toch Gods kracht laat zien. In goeddoen wordt openbaar dat God krachtig is. Dat Hij werkt. Dat Hij zijn heerlijkheid toont, door zijn Heilige Geest, in de leven van zijn kinderen.

Zijn heerlijkheid, niet alleen na het lijden. Maar al in het lijden, doordat Gods kinderen het goede doen. Christenen geven de moed niet op. Niet omdat het perse zulke krachtige mensen zijn met een sterke persoonlijkheid. Maar omdat hun God genadig is. Omdat Hij hen kracht geeft om de schande te dragen die op hun levenspad komt. En tegelijk te blijven doen wat God behaagd.

Dat is moeilijk. Dat is een weg van strijd en aanvechting. Maar door Gods kracht mag u daarin overwinnen. En mag u juist in die zwakte en strijd Gods kracht tonen. Dat is zijn eer, dat is zijn heerlijkheid.

En zo komt aan het slot van deze preek de vraag weer terug. Bent u, ben jij bereid om uit te gaan tot Christus? Om zijn schande te dragen?

Jezus Christus ging die weg van schande voor zijn volk. En Hij vraagt nu van jou: neem uw kruis op u en volg Mij. Ook als dat schande en moeite teweeg brengt.

Als je dat doet, in geloof, dan vraagt dat moeite en strijd in dit leven. Maar dan ga je wel achter Christus aan. Onderweg naar een toekomstige stad. Een heerlijke stad.

Waar geen schande is. En geen smaad. Niet voor God, niet voor zijn volk. Daar mag u werkelijk voor Hem een lofoffer brengen. Tot in eeuwigheid. Amen.

Published inPreek

Reacties zijn gesloten.