Sla over naar de inhoud

Preek Hebreeën 13:10-12

De eerste preek (van twee) over de smaad die Christus geleden heeft buiten de poort om zijn volk te heiligen. Dit deel gaat over het altaar van Jezus Christus, dat gestaan heeft buiten Jeruzalem, op Golgotha, namelijk het kruishout.

Preek Hebreeën 13:10-12
Door ds. C. Koster

Liturgie
Psalm 73:10
Psalm 5:5,9,10 (na wet)
Gezang 25:2 (na Schriftlezing)
Gezang 13:3,4 (na preek)
Psalm 5:9,10 (na geloofsbelijdenis)
Psalm 98:4

Schriftlezing Lev. 16:15-19, 27; Hebr. 13:8-15
Tekst Hebr. 13:10-12

Jezus Christus leed buiten de poort om zijn volk te heiligen
1. Zijn altaar
2. Zijn lijden
3. Zijn bloed

Preek
Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

De schrijver van deze brief aan de Hebreeën spreekt over een altaar. Wij hebben een altaar, zegt hij. Misschien denkt u, ja, maar wij hebben toch geen altaar? In het Oude Testament hebben ze een altaar. En in de Rooms Katholieke Kerken staat een altaar, omdat zij denken dat ze nog dagelijks Christus in de gestalte van het brood moeten offeren. Maar wij, gereformeerden, hebben toch geen altaar meer?

Nee, inderdaad, dat hebben we niet. Maar toch staat het hier wel in Hebr. 13: wij hebben een altaar. En om dat te begrijpen is het goed om even te kijken naar deze brief in zijn geheel. Want deze brief is geschreven in de tijd dat de stad Jeruzalem viel. Dat was in 70 na Christus, dat de stad veroverd werd en stad en de tempel grotendeels verloren ging.

Het is lastig met zekerheid te zeggen wanneer deze brief precies is geschreven. Of het voor of na de val was. Ik ga met hen mee, die zeggen dat deze brief geschreven is voor de val van Jeruzalem. Dus vóór 70 na Christus. Dat zou betekenen, dat de lezers van deze brief nog leven in een tijd dat de tempeldienst nog aan de gang was! De offers werden gebracht. De priesters liepen rond in Jeruzalem. De feesten werden gevierd.

En daar stonden deze christenen die deze brief ontvingen dus buiten. Zij hadden niet meer die tempeldienst, zoals dat was in Jeruzalem. Zij hadden geen altaar, geen dierenoffers, geen menselijke hogepriesters.

Maar zij hadden wel iets anders. Iets veel rijkers en groters. Zij hadden namelijk Jezus Christus. De Grote Hogepriester. Die zelf het grote Offer had gebracht, waarmee eens en voor altijd de zonden zijn verzoend.

Toch zult u begrijpen, dat het voor de christenen van toen moeilijk was. De Heere Jezus Christus konden ze niet zien. Hij was in de hemel. Maar die tempeldienst in Jeruzalem konden ze wel zien en ruiken en proeven. Offers werden gebracht, maaltijden gegeten. Het was gezellig, een feest met ontmoeting en gesprek van Joden uit het hele land. Van die Joodse tempeldienst ging een grote verleiding uit naar de christenen.

Nu, dat is de reden waarom de schrijver van deze brief de lezers bemoedigen. Hij geeft hen heel rustig, uitgebreid en duidelijk onderwijs. En hij vermaant hen ook om Christus niet te verliezen, maar Hem vast te houden.

De schrijver wijst in onze verzen op Jezus Christus, als vervulling van het Oude Testament. Wij hebben een altaar, zegt hij. Ja, wij ook! Een altaar, die van veel meer betekenis en waarde is dan hun altaren en de offers die daarop gebracht worden. Ons altaar is namelijk het kruishout op Golgotha, waar Christus aan hing.

En zij zijn niet bevoegd om daarvan te eten. Wie zijn die ‘zij’ hier? Wie mogen er niet van eten?

Dat gaat over al die mensen die niet geloven in Jezus Christus. Al die tempelgangers, die het zoeken bij de tempeldienst en de tempeloffers. Terwijl daar geen genade of verzoening meer te vinden is. Ze zien niet op het altaar wat daar gestaan heeft buiten de stad, namelijk het kruishout op Golgotha. Ze zien niet op Jezus Christus, als de Zoon van God. Als de Grote Hogepriester, die zijn leven gaf. Ze verwerpen het werk dat God tot verlossing heeft gedaan. En daarom zullen zij ook niets van Gods genade ontvangen, zolang zij zich niet bekeren.

Maar goed, dan is het nog niet helemaal duidelijk. Zij die niet geloven in Jezus Christus en zijn genadewerk, die ontvangen geen genade. Zij mogen er dus niet van eten, dat is helder. Maar wie mag er dan wel van eten? Van het Altaar, waar het hier in vers 10 over gaat, daar kan toch niemand van eten? Niemand kan toch het lichaam van Jezus Christus eten, net zoals men at van een offerdier in de tempel?

Het is inderdaad waar, dat wij niet letterlijk kunnen eten van het lichaam en bloed van Jezus Christus. Maar heeft de Heere Jezus zelf niet gesproken over het eten van zijn vlees en het drinken van zijn bloed? Het was toch de Heere Jezus zelf, die het brood nam, het brak en het uitdeelde en toen zei tegen zijn discipelen: neem, eet, dit is mijn lichaam, voor u, doet dit tot mijn gedachtenis? Toen Hij bij de laatste viering van het Pascha het Avondmaal instelde, deed de Heere Jezus dat voor zijn discipelen. Voor hen, die in Jezus Christus geloofden.

Kijk, en daar komt het op aan. Geloof je in Jezus Christus en heb je zo ook deel aan zijn lijden en sterven. En ontvang je zo ook door het geloof zijn lichaam en bloed, als voedsel en drank voor je ziel? Of verwerp je Hem? Blijf je bij de dienst van de offers in de tempel? Geloof je niet in Hem, als de vervulling van heel die tempeldienst?

Met het geloof in Jezus Christus staat of valt alles. En dat is precies waar in onze verzen de vinger bij wordt gelegd. Als je gelooft in Jezus Christus, dan heb je door het geloof deel aan dat Altaar, aan zijn kruisdood op Golgotha. Maar als je niet in Hem gelooft, dan heb je ook geen deel aan zijn offer. Dan mag je niet eten van zijn vlees, en drinken van zijn bloed.

Nee, het ware evangelie is dit: dat je genade mag ontvangen door het geloof in Jezus Christus. Doordat je ziet op het altaar, het kruishout van Jezus Christus, waarop Hij zijn lichaam liet spijkeren. Daar alleen, bij Jezus Christus, is verlossing en verzoening te vinden. En nergens anders.

Nu hebben we gelet op het altaar van Jezus Christus. En zo komen we bij het tweede gedeelte van de preek, waarin we spreken over het lijden van Jezus Christus buiten de poort.

Dat kruishout van Jezus Christus stond op Golgotha. De exacte plek van Golgotha is niet meer met zekerheid te zeggen. We weten niet precies waar dat was. Maar één ding is wel zeker: Golgotha bevond zich buiten de stad Jeruzalem. En dat brengt ons bij een inhoudelijke vraag: waarom moest Jezus Christus dan buiten de stad lijden en sterven?

Om deze vraag te beantwoorden wil ik u meenemen naar het Oude Testament. Onze tekstverzen hebben namelijk alles te maken met de Grote Verzoendag, waarover Lev. 16 spreekt, de tekst die we samen gelezen hebben. U weet wel, dat de Grote Verzoendag het belangrijkste feest is in het Jodendom.

Onder andere gebeurde er op die dag dit: De hogepriester moest een geitenbok slachten. En met het bloed van die bok moest hij de tabernakel, en later de tempel, heiligen. Hij moest drie dingen met dat bloed van die bok heiligen. Het heiligdom, de tent van ontmoeting en het altaar.

Het bloed van die bok werd daarvoor gebruikt. Maar de rest van die bok was nog over, dat is dus feitelijk het hele lichaam van dat dier behalve zijn bloed. Vervolgens had de HEERE ook gezegd wat er met die rest, met dat hele lichaam dus, gedaan moest worden. En daar gaat het ons nu in het bijzonder om. Want het lichaam van deze bok mocht niet geofferd en niet gegeten worden.

Dat is anders dan normaal. Bij nagenoeg alle andere offers was het wel toegestaan of zelfs geboden dat ze het lichaam van het dier moesten eten of offeren. Maar bij dit offer was dat verboden.

Wat moesten ze er dan mee doen? Ze moesten het lichaam brengen buiten de legerplaats, waar Israël zijn tenten had staan. En later moesten ze het brengen buiten de stad Jeruzalem. En daar moesten ze dat lichaam verbranden. Zo staat dat ook in Lev. 16:27: “De jonge stier voor het zondoffer en de bok voor het zondoffer, waarvan het bloed in het heiligdom is binnengebracht om verzoening te doen, moet men tot buiten het kamp brengen. Hun huiden, hun vlees en hun mest moeten zij met vuur verbranden.”

Waarom was het nodig dat deze geitenbok buiten het legerkamp verbrand werd? Wat is daarvan de reden?

Het antwoord op die vraag, gemeente, is dat die bok één en al zonde is geworden. Het bloed van die geitenbok werd gebruikt om te heiligen. Het heiligdom zelf, de tent van samenkomst en het altaar geheiligd. En die geitenbok heeft door de heiliging van die voorwerpen met zijn bloed zelf al de onreinheid en zonden op zich genomen. Al de zonden die weggewassen zijn van het heiligdom door het bloed van dat dier. Al die zonden heeft de bok als het ware in zich op gezogen. Die geitenbok is daarom een brok zonde geworden.

Daarom kan de rest van het lichaam van deze bok niet geofferd worden. En ook niet gegeten worden. Het lichaam moest verbrand worden, weg ermee van deze aardbodem.

En dat is precies de reden waarom het lichaam buiten de poort gebracht moest worden. Want die bok, zelfs de resten van die bok, die mochten niet in de legerplaats blijven. Dat mocht niet in de stad Jeruzalem blijven. Die legerplaats is heilig. En later, de stad Jeruzalem is heilig. Daar woont de HEERE zelf. Daar woont zijn heilig volk.

En daarom: weg met dat zondige lichaam! Buiten de stad ermee. Het moet weg, het mag niet blijven bestaan. Niet offeren, niet eten, nee verwijderen, uitroeien, verbranden.

Als je dan naar de betekenis kijkt van dat offer in het Oude Testament, dan gaat het natuurlijk niet over het lichaam van dat dier zelf. Nee, het gaat om de zonde. De Heere laat zien dat de zonden van het volk echt weg zijn. Die zonden zijn buiten de stad. Weg bij Gods volk. Die zonden zijn verbrand, in rook opgegaan. Echt helemaal verdwenen van de aardbodem.

Daarin mocht het volk rust vinden. Zo zagen ze en wisten ze: we zijn bevrijd van zonde en schuld. De HEERE wil ons met zich verzoenen. De voortdurende omgang met de HEERE kan blijven.

Nu, dan de vervulling van dit offer in Jezus Christus, Gods eigen Zoon. De Grote Hogepriester, die God gezonden heeft. Waarom moest Jezus Christus buiten de poort lijden en sterven? Omdat Hij met zijn bloed ons wast! En daarmee heeft Hij al onze zonden opgezogen en op zichzelf geladen. Jezus Christus is een brok zonde geworden.

En zo kon Hij naar Gods wil en wet ook niet in Jeruzalem blijven. Die heilige stad. Hij moest de stad uit om buiten de poort te lijden. Weg ermee! Weg met Hem! Zo schreeuwden de mensen ook: kruisig Hem. Zij schreeuwden uit vijandschap en haat. Maar het was tot vervulling van Gods Woord! Jezus Christus moest geofferd worden op het altaar wat God daar heeft laten plaatsen, buiten Jeruzalem, op Golgotha.

Ja, Paulus zegt dat ook heel bijzonder in 2 Kor. 5:21. “Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.”

Dit is precies wat ook in Hebr. 13 staat. Jezus Christus was zonder zonde. Maar toch is Hij tot zonde gemaakt, al de zonden van het volk heeft Hij opgezogen. Een bonk zonde. Opdat Gods volk rechtvaardig mag zijn. In Christus schoon van zonden. Kinderen van de hemelse Vader.

En dan komt het er wel even op aan hoe we dit precies zeggen. Want Jezus Christus was zelf natuurlijk niet zondig. Hij heeft geen zonde gekend. Nee, Hij is tot zonde gemaakt.

Aan de ene kant was Hij dus één en al zonde, in die zin dat Hij de zonden van zijn volk bij zich droeg. Tegelijk was Hij rein en volmaakt en heilig en zonder zonde.

Het is mooi dat deze twee aspecten ook zichtbaar zijn in het offer op Grote Verzoendag in het Oude Testament.

Want die geitenbok als zondoffer was zelf niet zondig. Het was immers een gaaf dier, zonder gebrek, volmaakt. En, zoals ik eerder al zei, bij bijna alle offers hoefde dit zondoffer juist niet verbrand te worden buiten de poort. De regel was, dat dit dier als zondoffer óf geofferd moest worden op het brandofferaltaar, als een liefelijke reuk voor de Heere, óf dat het gegeten mocht worden door de priesters in de tempel van de Heere. Dat betekent dus, dat het lichaam van het dier zelf niet zondig is. Anders kon het nooit aan de Heere worden geofferd of mochten de priesters er niet van eten.

Maar juist die geitenbok als zondoffer op Grote Verzoendag mocht niet gegeten of geofferd worden, maar moest verbrand worden. Niet omdat het zelf zondig was. Nee, door de zonden van het volk was hij één brok zonde geworden.

Het volk leerde daarin echt zien: dat dier hoeft zijn bloed en zijn leven niet te geven omdat het zelf zondig is. Nee, het moet sterven, omdat wij zondig zijn! Omdat onze zonden de omgang met God blokkeren. Omdat onze ongerechtigheden de tempel en het altaar steeds weer verontreinigen.

Nu, net is het ook bij Jezus Christus. In zichzelf was en is Hij volmaakt gehoorzaam, zonder zonde of gebrek. Maar Hij was tot zonde gemaakt, vanwege het volk. Om het volk te heiligen door zijn bloed.

En zo geldt dat ook voor u en jou. Jezus Christus stierf niet, omdat Hij dat verdiende. Omdat Hij tekortschoot of wat ook maar. Nee, Hij stierf vanwege onze zonden! Hij stierf omdat uw en jouw zonden steeds weer de weg naar God blokkeren. En door zijn dood neemt Hij de zonde weg en opent Hij weer de band met God de Vader.

Daarom is het zo belangrijk om steeds dicht bij Jezus Christus te leven. Dat u uw toevlucht neemt tot Hem. Dat je Hem belijdt en aanbidt als de enige Verlosser, uw Redder. Zo komen we bij het derde gedeelte van de preek.

We hebben nu vooral de nadruk erop gelegd dat die bok buiten de poort verband werd. Maar één belangrijk aspect hebben we nog niet behandeld. En dat staat in Hebr. 13:12 als een tussenzin ingevoegd.

Daar staat namelijk: “om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen”! Wat is het grote doel van dit offer van Jezus Christus? Dat was om zijn volk te heiligen! Het grote doel van zijn werk en zijn offer. Zijn bloed moest Hij geven, om te heiligen.

Jezus Christus opent met zijn kostbaar bloed ons de weg tot de Vader. En dan heiligt Hij maar niet het heiligdom, of de tempel of het altaar, zoals dat gebeurde in het Oude Testament op Grote Verzoendag. Nee, Jezus Christus heiligt zijn volk. Het huisgezin van God. De gemeente van Jezus Christus is nu tempel van de Heere. Die bouwt Hij, met Jezus Christus zelf als Hoeksteen. Hij heiligt zijn volk, zodat ze voortaan allen priesters kunnen zijn! Niet slechts enkelen, die werkzaam zijn in de tempel. Nee, heel Gods volk, allen priesters, in dienst van de levende God.

Een heilig volk… Passen jullie daar dan ook bij, jongens en meisjes? Heilig, schoon, volmaakt? Dat zal je misschien niet zo snel van je zelf zeggen. Je weet zelf wel, dat je ook wel eens verkeerde dingen doet. Of verkeerde dingen zegt. Wij zijn niet zulke heilige mensen. Wij zijn helaas niet zonder zonden en fouten.

Maar wat zo bijzonder is. Je mag steeds weer terugkomen bij Jezus Christus. Bij Hem mag je aankloppen. En zeggen: Heere, wilt U mij mijn zonden vergeven. Wilt U mij heilig en schoon maken, door uw bloed. Door het offer wat u bracht.

Zijn eigen bloed, om het volk te heiligen, staat er. Zijn eigen bloed! Hij gaf het. Niet maar het bloed van een dier, wat Hij slachtte. Nee, Hij gaf zichzelf. Zijn leven. Hij leed en stierf. Zo lief heeft Hij zijn volk. Zo kostbaar ben je voor Hem.

Er is zo veel reden om van de Heere te houden. Als je ziet wat Hij gedaan heeft. Dan mag je zeggen, van harte: “Heere, dank U wel. Dank U voor uw trouw en liefde en genade.”

En je mag vragen: “Maak mij heilig. En maak mij dankbaar en gehoorzaam. En Heere, die verkeerde dingen, die u mij vergeven hebt. Ik zal oprecht mijn best doen om ze niet nogmaals te doen. Ik wil U dienen.”

Dit noemen we verbondsomgang met de Heere. En u ziet het, gemeente, dat is zoveel rijker dan offerdienst met dieren. Het is een leven van genade. Daar mag u elkaar in bemoedigen gemeente. U mag geloven in het levende evangelie. Dat mensen heilig maakt. En harten in vuur zet. En levens verandert.

Elke dag met zijn struikelingen en worstelingen. Maar ook elke dag met die genade. Met dat bloed van Christus. Want u mag zien op het altaar. Dat houten altaar, wat daar eens gestaan heeft op Golgota. Zien op Christus. Door het geloof eten van zijn vlees en drinken van zijn bloed, tot voeding en verkwikking van uw ziel. Want Jezus Christus gaf zijn leven om zijn volk te heiligen. Hij heeft buiten de poort geleden, om heel zijn volk te redden.

Hij is uw Verlosser. Voor Hem mag u leven! Amen.

Published inPreek

Reacties zijn gesloten.